Shōchiku is niet de typische blockbusterfabriek in Hollywood-stijl. Het is een in Tokio gevestigd instituut dat bijna een eeuw heeft overleefd door een heel specifieke niche te beheersen: thuisgerichte drama’s voor vrouwen. Het verhaal over hoe deze studio van het opvoeren van Kabuki-theater uitgroeide tot het domineren van de Japanse kassa, is een les in aanpassing, risico en de kwetsbaarheid van succes.

Van Kabuki tot bioscoop: de vroege strategie

Het bedrijf vindt zijn oorsprong in 1902. Het begon als een productiebedrijf voor Kabuki-uitvoeringen, niet voor films. Deze theatrale basis gaf het een vroeg voordeel in het begrijpen van toneelkunst en publieksbetrokkenheid. De echte omslag vond plaats in 1920. Shōchiku breidde zich uit naar de productie van films. Kort daarna richtte het de Shōchiku Kinema Company op. Het doel was simpel: acteurs en technici intern opleiden.

In 1937 nam het bedrijf zijn huidige naam aan. Shochiku.

Aanvankelijk waren de films afgeleid. Het waren kopieën van Amerikaanse films. Maar regisseurs ontwikkelden geleidelijk een onderscheidende stijl. Ze concentreerden zich op binnenlandse verhalen. Deze strategie maakte van Shōchiku de financieel meest gezonde studio in het Japan van vóór de Tweede Wereldoorlog. Het breidde zijn productie- en tentoonstellingsfaciliteiten gestaag uit, terwijl de concurrenten struikelden.

De doorbraak kwam in 1931. Shōchiku presenteerde de eerste succesvolle Japanse spreekfilm. Madamu to nyōbō (“De vrouw en de mijne van de buren”) werd geregisseerd door Gosho Heinosuke. Het bewees dat het Japanse publiek klaar was voor geluid. De studio kopieerde niet langer alleen maar. Het was leidend.

Naoorlogse veerkracht en technische innovatie

De Tweede Wereldoorlog veranderde alles. Arbeidsproblemen schaadden de financiële stabiliteit van Shōchiku. Stakingen en onrust zijn duur. Ze leggen de productie stil. Ze putten grondstoffen uit. Maar Shōchiku stortte niet in.

In 1953-54 bracht de studio Kimi no na wa (“What Is Your Name?”) uit. Het werd de meest lucratieve film in het naoorlogse Japan. De winsten werden niet alleen in eigen zak gestoken. Ze werden geherinvesteerd. Shōchiku moderniseerde zijn studio-infrastructuur. Het richtte ook het Shōchiku Motion Picture Science Institute op. Het doel van het instituut was duidelijk: de technische uitdagingen van het filmmaken bestuderen. Dit was een vroege R&D voor een inhoudbedrijf.

De innovatie ging door. In 1955 presenteerde Shōchiku de eerste Japanse foto via een breedbeeldproces. Rebyu tanjo (“Birth of a Revue”) demonstreerde deze technologie. Breedbeeld was voor sommigen een gimmick, maar voor Shōchiku was het een competitiewedstrijd.

Het Tora-san-tijdperk en de nasleep ervan

In de jaren zestig keerden de financiële problemen terug. De studio had een levenslijn nodig. Het kreeg er een in 1969 met Otoko wa tsurai yo (“It’s Tough Being a Man”). Dit was de eerste film in de Tora-san-serie.

Tora-san, gespeeld door Atsumi Kiyoshi, was een smoorverliefde hommel. Hij was geen held. Hij was een gebrekkig man. Hij boeide generaties Japans publiek. De franchise liep tientallen jaren. Atsumi verscheen in 48 films. De serie werd een culturele instelling.

Maar franchises zijn afhankelijk van talent. Toen Atsumi in 1996 stierf, stopte de Tora-san-franchise. Het einde was abrupt. De economische motor stopte. Shochiku