John D. Rockefeller vergaarde niet alleen rijkdom; hij verzamelde macht. En die macht maakte het publiek bang.

De naam Standard Oil staat synoniem voor agressieve concurrentie. Het was geen gemakkelijke klim naar de top. Het was een berekende ontmanteling van rivalen. Deze dominantie leidde tot intense vijandigheid jegens monopolies. Mensen zagen dat één enkele entiteit de levensader van de industrie beheerste.

Die angst had gevolgen in de echte wereld. Regeringen begonnen deze conglomeraten met argwaan te bekijken. Zij zagen de bedreiging voor eerlijke markten. Sommige landen reageerden door anti-monopoliewetten uit te vaardigen. Ze wilden de wurggreep op prijzen en innovatie doorbreken.

Critici hadden een label nodig voor mannen als Rockefeller. Ze gebruikten geen termen als ‘visionair’ of ‘strateeg’. Ze noemden hen roofbaronnen.

Het ging niet alleen om het geld. Het ging erom hoe het gemaakt was. De term deed denken aan middeleeuwse heren die reizigers belastten zonder bescherming te bieden. Rockefeller en andere leiders van monopolistische bedrijven passen in de ogen van het publiek in dit plaatje. Ze haalden waarde eruit zonder concurrentie om ze onder controle te houden.

De erfenis van Standard Oil blijft een waarschuwend verhaal. Het laat zien wat er gebeurt als de marktkrachten niet worden gecontroleerd. Het verklaart ook waarom er tegenwoordig antitrustwetten bestaan. Het is niet alleen maar juridisch jargon. Het zijn reacties op het soort dominantie dat Rockefeller tentoonspreidde.